LIERDE

Wist ik veel of wist ik iets
en als ik iets wist,
dan was het niets.
Nostalgie?
Komaan zeg! Ik hou van Lierde.
Dat oeverloos gewroet
om die afscheidsgroet?
Sinds ik mijn Lierde verliet,
verliet zij mij ook niet.

Ik draag haar met me mee
daar waar slaande klokken
in stilte nog zacht nazoemen
als wijzers bij middernacht 
hoorbaar elkaar kussen
en de nacht zich in de vroegte
rugschuurt.


Ik draag Lierde met me mee,
daar waar een kind rondscharrelt
tussen warrelend okerbruin
dan kust mijn jeugddorp rakelings
mijn gedachten en ik herinner me 
nog hoe

haar licht(ver)dovend rood
de avondschemering bezong
de maan, verduisterd door
rafelende wolksluiers,
kleurde haar stervend groen
-ooit zo ongerept-
tot een vergeten zomer
een afbrekend geluid deed
me rillen
een herfstblad dwarrelde 
voldaan neer met gesloten
ogen en zwijmelende vermoeidheid
wist ik dat die avond niet meer
terugkwam, alleen vage herinneringen
van het zachte geruis dat tot mij 
doordrong - ritselend wiegend -
als avondmuziek in een huiverende
bries


Ik draag Lierde met mij mee, 
daar waar diffuus ochtendlicht
mijn gezicht belicht en ik ontwaak
uit luwe nachten ruikend naar het
kaneel van weleer
Ik draag haar met me mee

wakende wind wekt 
broos wiegende halmen
schaamteloos 
stoeiend 
strijklicht schuift schijnbeelden langs
 kruipende kapellenwegeltjes 
populierensilhouetten buigen minzaam 
voor het heiligdom

ik aanbid haar twijfelloze boerderijen 
als gedenkstenen neergeworpen steenrood 
spotten 
met de waan van de dag
verbleekt de haperende nacht
kerkdeunen dreunen gedept 
onder wazig gewaad

stilte ruist tussen wijdgestrekte armen 
doordrenkt van lauwe loofgeuren omarmt 
onbeslagen 
ochtendrood het lome land kinderen 
ontwaken en luisteren ademloos
naar haar kraaiend schemerlied


Ik droeg Lierde met me mee ook toen ik
haar wilde (ont)mijnen en dan nog bood zij 
mij liefde in één van haar vierdorpen als 
het gras twee kontjes hoog was en later,

later verliet ik haar huis 
en sloot de deur op een kier,ik 

talmde nog op de stoep 
mijn voeten averechts 
en staarde voor mij uit, ik

keek over haar heuvels
en lijmde haar scherven
de barsten bleven, ik

vertakte twijfels met ogen neerslaand 
over haar tranend groen, zij

zij hield de deur open, 
op een kier
bladstil
gelukkig!

En toch....
slaat een storm ze voorgoed dicht 
haar sleutel raak ik nooit kwijt


daar waar haar dauw de groen-
geschubde weilanden bedwelmt
zichtbaar
zaaiend
met een zweem van stilte
glooiende vlaktes omzoomd
door klaterende beken
splijten de gevlekte velden
Wist ik veel of wist ik iets
en als ik iets wist,
dan was het niets.
Nostalgie?
Komaan zeg! Kon ik toen weten dat ik 
mijn Lierde nooit zou vergeten.

Marleen De Smet